Skip to main navigation

Rechter matigt ontslagvergoeding werknemer - Ernst & Young - NW

Rechter matigt ontslagvergoeding werknemer

Een werkgever kan niet aanvoeren dat hij een werknemer wegens bedrijfseconomische redenen geen ontslagvergoeding kan betalen, indien de fee van de directie niet of onvoldoende is gematigd. Dit oordeelde onlangs de kantonrechter Zwolle.

Een werkgever verzocht de kantonrechter de arbeidsovereenkomst van een werknemer te ontbinden. Door de economische recessie was de omzet van de werkgever sterk gedaald. De personeelslasten besloegen ongeveer de helft van de omzet. De genomen bezuinigingsmaatregelen boden onvoldoende soelaas. Daarbij beriep de werkgever zich op de zogenoemde 'habe nichts'-exceptie. Hij stelde dat hij vanwege zijn financiële positie geen ontslagvergoeding aan de werknemer kon voldoen.

De kantonrechter achtte een bedrijfseconomische ontbindingsgrond aanwezig.
Dit betekent dat de werknemer in beginsel recht heeft op een vergoeding met een factor C=1 van de kantonrechtersformule. Deze formule komt voorzover hier van belang neer op: A (dienstjaren) x B (maandsalaris) x C (correctiefactor) = vergoeding.

De kantonrechter ging vervolgens mee in de stelling van de werkgever dat hij zich geen vergoeding kon veroorloven. De financiële positie van de werkgever was niet rooskleurig. Toch was de kantonrechter er niet van overtuigd dat de werkgever geen enkele vergoeding aan de werknemer kon betalen. De fee van de directie was namelijk beperkt gewijzigd, toen de omzet daalde.

De kantonrechter ontbond daarom de arbeidsovereenkomst met een vergoeding met C=0,5. Er was dus volgens de kantonrechter geen sprake van 'habe nichts' bij de werkgever, maar van 'habe wenig'.

Toepassing 'habe nichts' of 'habe wenig'-exceptie
Daarmee lijkt een blinde vlek van de Aanbevelingen van de Kring van Kantonrechters aan het licht te komen. Conform die Aanbevelingen is bij een bedrijfseconomische ontbindingsgrond een ontslagvergoeding met C=1 als uitgangspunt. Daarbij dient de kantonrechter gewicht toe te kennen aan de financiële positie van de werkgever.

Dit lijkt mee te brengen dat indien de kantonrechter oordeelt dat een bedrijfseconomische ontbindingsgrond wegens een slechte financiële situatie bestaat, hij in beginsel bij een beroep van de werkgever op de 'habe nichts, habe wenig'-exceptie genoodzaakt is van het uitgangspunt van C=1 af te wijken.

Het bestaan van een dergelijke bedrijfseconomische grond voor ontbinding lijkt immers een suboptimale financiële positie van de werkgever te impliceren, zeker bij reorganisaties. Bij gebrek aan alternatieven is die positie tenslotte de noodzaak voor het ingrijpen van de werkgever via het zwaarste middel van ontslag.

Bijkomende omstandigheden lijken dan enkel argumenten om vervolgens de C-factor 'bij te plussen'. Zo ook in dit geval, waar voor de kantonrechter de omstandigheid dat de fee van het management tijdens de recessie beperkt was gematigd, reden was voor het toekennen van een vergoeding met C=0,5 (habe wenig) in plaats van geen vergoeding (habe nichts).

Tot slot
Dit roept de vraag op of de regel van een ontslagvergoeding met factor C=1 bij een standaard bedrijfseconomische ontbindingsgrond wegens slechte financiële situatie geen uitzondering is geworden of zou moeten zijn, mede ter afwending van rigoureuzere faillissementsscenario's.

In elk geval lijken werkgevers er goed aan te doen zich in een ontslagprocedure wegens bedrijfseconomische redenen op de 'habe nichts, habe wenig'-exceptie te beroepen. Zo moeilijk als een beroep op de 'habe nichts'-exceptie slaagt, zo gemakkelijk kan een 'habe wenig'-stelling wel eens succes hebben.

Contact

E-mail Joost van Ladesteijn 
T.: +31 (0)88-407 0240

Ernst & Young Online

Kom meer te weten
Kom meer te weten

Return to Login

Back to top