Woningwet leidt tot extra belastingheffing voor woningcorporatiesector
De Tweede Kamer heeft het wetsvoorstel tot herziening van de Woningwet in behandeling genomen. Bij het opstellen ervan is geen rekening gehouden met de fiscaliteit met als gevolg een extra belastingheffing voor de woningcorporatiesector die kan oplopen tot miljoenen euro’s per jaar. In Het Financieele Dagblad van 27 oktober 2011, geven Ad Antonius, fiscalist bij Ernst & Young Belastingadviseurs LLP en Hilke Aarninkhof, advocaat bij Holland Van Gijzen Advocaten en Notarissen LLP, een reactie.
De juridische structuur van een woningcorporatie bestaat vaak uit een stichting of vereniging (de toegelaten instelling) met daaronder een aantal dochtermaatschappijen. Volgens het wetsvoorstel mag de toegelaten instelling nog slechts een beperkt (nader te bepalen) percentage van de aandelen in haar dochters houden. Dit kan ertoe leiden dat de toegelaten instelling vermogen moet terugtrekken en een of meer dochtermaatschappijen moet afstoten.
Nu maken woningcorporaties vaak gebruik van een fiscale eenheid vennootschapsbelasting. Een van de voorwaarden daarbij is dat de toegelaten instelling tenminste 95% van de aandelen in de dochter bezit. Zodra noodgedwongen aandelen in een dochter worden afgestoten, is de mogelijkheid aanwezig dat de fiscale eenheid wordt verbroken. De woningcorporatie kan dan niet langer gebruikmaken van de bijbehorende fiscale voordelen. Erger nog, als binnen de ‘oude’ fiscale eenheid is geschoven met vermogensbestanddelen met een positieve stille reserve, kunnen hierover alsnog strafheffingen vennootschapsbelasting worden geheven.
Het wetsvoorstel heeft tevens gevolgen voor de omzetbelasting, waarvoor ook een fiscale eenheid kan worden gevormd. De toegelaten instelling en haar dochters moeten dan financieel, organisatorisch en economisch met elkaar verweven zijn. De financiële verwevenheid kan in het geding komen als gevolg van het verplicht moeten afstoten van aandelen. Aan het criterium ‘organisatorische verwevenheid’ wordt mogelijk ook niet langer voldaan, omdat op basis van het wetsvoorstel de functie van bestuurder van de toegelaten instelling onverenigbaar is met het zijn van bestuurder van de dochtermaatschappij. Als de fiscale eenheid voor de omzetbelasting vervalt, moeten de toegelaten instelling en haar dochters elkaar onderling omzetbelasting in rekening brengen, voor zover het belaste prestaties betreft. Daarbij is het maar de vraag of een (en zo ja, welke) maatschappij deze omzetbelasting kan terugvragen.
Ten slotte kunnen er voor de overdrachtsbelasting strafheffingen optreden. De conclusie is dat het wetsvoorstel mogelijk resulteert in een extra heffing van vennootschapsbelasting, omzetbelasting en overdrachtsbelasting.